Het plastische brein

vervolg van Gesjareld

Nadat ik thuis m’n wonden had gelikt, schraapte ik al mijn moed bijeen waarop ik Google naarstig liet zoeken naar een psychiater die ook gespecialiseerd was in autisme, een combinatie die niet bepaald vanzelfsprekend is.  Veel keuze had ik echter niet, ik moest (en wou) vooruit.

Een van de eerste zielenknijpers die op het scherm verschenen, bleek vlak om de hoek te wonen (dat kwam ook wel omdat ik mijn zoekfunctie op ‘vlak-om-de-hoek’ had ingesteld). Helaas vond ik op zijn website geen informatie terug die liet uitschijnen dat hij ooit van autisme had gehoord.  Bij hem kon je wel terecht als je stemmen in je hoofd hoorde en het deed me plezier te ontdekken dat er iets bestond waar ik géén last van had.

Een andere peut bleek verbonden te zijn aan een centrum dat onder andere gespecialiseerd was in autisme, maar hijzelf hield zich echter, aldus de website, voornamelijk bezig met de behandeling van ADHD, middels neurofeedbacktherapie. Enig zoekwerk leerde me dat dit een beproefde methode is die gebruik maakt van de plasticiteit van de hersenen, oftewel het vermogen van je brein om te veranderen op basis van onder andere je gedrag.  Ik had hierover eerder ook al een TED-talk gezien en geloofde sterk in de kneedbaarheid van de hersenen.

Toen ik me verder verdiepte in het onderwerp zag ik dat de therapie zeer efficiënt bleek te zijn bij slaapstoornissen en PTSD (post-traumatisch stress syndroom).  Mijn coach had eerder al aangehaald dat mijn vermoeidheid atypisch was en niet BO gerelateerd leek te zijn, maar bijna zeker veroorzaakt werd door de erbarmelijke slaapkwaliteit die ik ontwikkeld had na een bijzonder traumatiserende jeugd.  Aanvankelijk zag ik maar weinig graten in haar verhaal maar naarmate de gesprekken vorderden, kwamen meer en meer puzzelstukjes op hun plaats te liggen. Meer dan twintig jaar lang had ik geleefd als een zombie door het extreme slaaptekort. Van een sociaal leven was amper sprake geweest. Er waren meermaals momenten geweest dat ik zowat zeventig uur aan een stuk zonder slaap had doorgebracht, omdat ik ’s nachts met wijd opengesperde ogen naar het plafond had liggen staren, niet meer in staat om de oogleden te ontspannen, niet meer in staat om nog na te denken, niet meer in staat om een pink op te tillen. Ik herinner me nog dat een familielid me op latere leeftijd vertelde dat ik er als tiener als een drugsverslaafde had uitgezien, terwijl ik nooit wat had gebruikt, zelfs geen sigaret. Uiteindelijk werd alles wat met slapen te maken had, geassocieerd met angst.

Nadat de bevindingen van de UZ artsen in dezelfde richting wezen en finaal ook nog enkele van mijn praatgroepmadammen me duidelijk maakten dat ik geen flauw benul leek te hebben van de impact van mijn verleden – ik wist gewoon niet beter – begon het eindelijk te dagen. Mijn leven was puur overleven geweest en tot op vandaag heeft dit nog altijd een grote impact op de kwaliteit van mijn slaap en bij uitbreiding mijn energiepeil.

Na veel wikken (van aanbieders) en wegen (van mijn portemonnee) besloot ik om met de therapie te starten in een gespecialiseerde praktijk niet ver uit de buurt. Vol verwachting telde ik de dagen af tot wanneer het intake-gesprek zou plaatsvinden …

vervolg zie Flabbergasted

Na Kafka komt zonneschijn

Watson toonde me onlangs een brief van de nutsmaatschappij waarin het volgende vermeld stond:

“Als ge de meterstand doorbelt, moet ge af en toe op het hekje drukken”, lachte hij. “Ge moogt zelf kiezen wanneer ge dat doet, en hoeveel keer”, grijnsde hij erbij, wetende hoe lastig dit soort vage instructies kan zijn voor een autist.

De brief deed me denken aan een oude reportage over mensen in armoede met daarin het schrijnende beeld van een treurige man die de grootste moeite had om zich doorheen de chaotische papierberg te worstelen – laat staan goed te begrijpen waarover het allemaal ging – en hierdoor in de problemen was geraakt. Armoede door paperassen. Uit pure angst had hij daarom beslist om alle belangrijke papieren zorgvuldig uit te spreiden over de gehele keukentafel en ze daar permanent te laten liggen, in de hoop dat geen enkel document ooit nog verloren zou gaan.

Ik begreep die man perfect. Zelf had ik de grootste moeite om officiële documenten te ontwarren, wat vaak resulteerde in hysterische huilbuien of woedeaanvallen. Dagenlang was ik compleet van de kaart nadat ik weer eens een brief had ontvangen met cryptische taal die – zo leek het wel – enkel door ingewijden ontcijferd kon worden. Vóór mijn diagnose kon ik maar niet begrijpen dat ik, een ingenieur, soms uren nodig had om een stomme factuur te doorgronden en daardoor mijn hele wereld zag instorten met de gedachte aan foutieve betalingen gevolgd door incassobureau’s, deurwaarders, de rechtbank en finaal het cachot.

Soms ging het om grote dingen, dan weer om schijnbaar kleine dingen, maar altijd namen ze te veel tijd in beslag en vraten ze al mijn energie op. Zo kwam een toenmalige kennis, die bij het lokale postkantoor werkte, er toevallig achter dat mijn brieven van de telefoonmaatschappij achtergehouden werden omdat er na het huisnummer ‘GVL’ vermeld stond in plaats van het busnummer. Ze bezorgde me de achterstallige facturen die ik onmiddellijk betaalde en ik belde naar de maatschappij om de vergissing te laten rechtzetten.

“Wij kunnen in dit programma helaas geen busnummer toevoegen aan het huisnummer, enkel de vermelding GVL”, antwoordde de jongedame.

“Er zijn meerdere appartementen op het gelijkvloers,” repliceerde ik. “Het kan toch niet de bedoeling zijn dat de postbode gaat uitzoeken voor welk appartement de brief bestemd is? “ vervolgde ik vol ongeloof. De dame hield echter voet bij stuk: het busnummer kon niet in het programma opgenomen worden en ik moest me tevredenstellen met het feit dat mijn kennis dan maar de facturen moest onderscheppen, waarop ik een behoorlijk boze brief schreef met de vraag om spoedig een oplossing te bieden aan deze scheve situatie. Tevergeefs.

Toen ik een hele poos later verhuisde naar een woning, was ik dan ook stomverbaasd toen ik op de eerste factuur van het betreffende bedrijf het langverwachte, maar helaas overbodig geworden busnummer vermeld zag staan én dat de postbode er geen enkel probleem mee had gehad om deze brief correct te posten. Ik begreep er niets meer van maar was wel zo verstandig om verder geen actie meer te ondernemen. Tenslotte was dit hoe de wereld het wilde.

Dan was er die keer dat ik een verzekering wou afsluiten voor mijn nieuwe wagen en ik keek niet bepaald uit naar de hele rompslomp die daar bij hoorde. Voordien had ik namelijk jarenlang met een bedrijfswagen gereden waardoor ik van dit onheil gespaard was gebleven. Het liep helemaal mis waardoor ik twee facturen kreeg voor een overlappende periode, waarvan ik slechts één periode betaalde en de maatschappij inlichtte over hun vergissing. Als dank kreeg ik een incassobureau op mijn dak met extra kosten tot gevolg, waarop ik mijn kersverse contract – na vruchteloos heen-en-weer gemail – kokend van woede opzegde.

Ik kreeg al helemaal een hartaanval toen ik naar het verzekeringskantoor belde, nadat de bliksem was ingeslagen in onze woning en de microgolfoven had vernietigd.  “Zijn wij hiervoor verzekerd?” vroeg ik.   “Ja hoor, u dient gewoon een offerte binnen te leveren met vermelding van ofwel de herstellingskosten, ofwel de waarde van een nieuw model indien het huidige niet meer gerepareerd kan worden”.  Ik liet een bestek opmaken – waarvoor ik een schandalig bedrag moest ophoesten – en stuurde het door naar de maatschappij.  Hun antwoord: “Helaas kunnen we hiervoor geen uitbetaling voorzien omdat het bedrag van een microgolfoven te laag is …”.   Ik had dit nochtans expliciet gevraagd.   Maar ditmaal had ik iemand anders aan de lijn.  Andere persoon, andere wetten.

Ge kunt u dus wel voorstellen hoe opgelucht ik was toen Watson voorstelde om alle gemeenschappelijke paperassen onder zijn hoede te nemen, nadat we een kleine twee jaar geleden samen een huis kochten. In ruil voor zijn edelmoedige gebaar bood ik aan om de afdeling ‘sociale contacten’ – die hij liever kwijt dan rijk was – te behartigen.

Zo kwam het dat ik enkele weken geleden naar het gemeentehuis trok, nadat we beslist hadden om een terrasoverkapping te plaatsen. “Volgens jullie verkavelingsvergunning mogen jullie maximaal vijftien meter diep bouwen”, stelde de stedenbouwkundig ambtenaar.

Weer thuisgekomen diepte ik de bouwplannen op en zag tot mijn grote teleurstelling dat er nog slechts één schamel metertje afdak toegelaten was. Daar ging onze droom om heerlijk te ontbijten in het ochtendzonnetje.

Ook Watson was er het hart van in toen hij ’s avonds thuiskwam en het nieuws vernam. “Is er dan echt geen aanpassing mogelijk van de voorwaarden?” vroeg hij.

“Neen”, antwoordde ik, “want anders zou de ambtenaar hier toch over gesproken hebben, niet?” Onmiddellijk besefte ik hoe fout het was om dit soort verwachtingen te hebben ten aanzien van neurotypicals en een dag later stapte ik vol goede moed en met de bouwplannen onder de arm het kantoor van de ambtenaar binnen.

“We zitten momenteel veertien meter diep”, zei ik, waarop de ambtenaar onmiddellijk het hoofd schudde. Onverstoord ging ik zitten en ik vouwde de plannen open. “Dus we kunnen echt niet dieper gaan dan dat ?”

“Neen.”

“Is er dan echt geen aanpassing mogelijk van de voorwaarden?” herhaalde ik Watson’s woorden, met enige aandrang.

“Ja, dat kan.”

Niet alleen was het mogelijk, de procedure ervoor bleek ook nog eens doodsimpel te zijn. Het enige wat we nodig hadden was een handtekening van de buren.

En zodoende zal ik binnenkort dan toch nog kunnen genieten van het zonnetje, gelegen in een zeteltje op het terras, waar ik me verder zal verdiepen in …

de geheimzinnige wereld van de neurotypicals

en als ik lang genoeg mag leven

komt er misschien ooit nog een dag

waarop ik niet meer zal beven

maar lachen en gieren

om zoveel papieren

vol raadselachtige frasen

omdat ik me niet meer hoef te verbazen

over neurotypisch gedrag.

Alzheimer

’n zeer kort verhaaltje

“Mag ik de verwarming afzetten?” hoorde ik Watson deze morgen roepen terwijl ik op mijn gemak op ‘t gemak zat.

We hadden net ons ontbijt verorberd – een lekker geurig stokbroodje vers uit de oven, voorzien van vegetarisch broodbeleg en wat gezonde groensels daarop – en waren van plan om de boom in onze tuin die daags voordien het loodje had gelegd, verder te verzagen tot iets handzamere stukken.

“Doe maar”, antwoordde ik, aangezien het zonnetje ondanks de koele bries vrolijk doorheen de glaspartijen van onze woning straalde wat al gauw een broeikaseffect veroorzaakt.

Toen we uiteindelijk paraat waren om de robuuste, doch gevallen den te lijf te gaan, gewapend met handschoenen, boomzaag, takkenschaar en kruiwagen, vroeg ik aan Watson of hij de verwarming uiteindelijk uitgezet had.

“Ge weet toch dat als ik iets zeg, dat ik dat dan doe?” reageerde hij verbaasd.

“Ja, maar ge zegt de laatste tijd toch zelf dat ge Alzheimer aan het krijgen zijt?”

“Ik kan me niet meer herinneren dat ik dat gezegd heb.”

Hmmm.  Misschien kan ik die gloednieuwe kettingzaag toch maar beter laten verdwijnen…

Taklampa

Aan het begin van mijn ziekteverlof drukte de burn-out coach me op het hart dat ik mijn artistieke talenten – die tot dan toe onbenut waren gebleven – nu eindelijk maar eens moest aanboren. Het negeren van je aangeboren kwaliteiten, zo leerde ik, blijkt namelijk een grote energierover te zijn. Al gauw richtte ik thuis een creatief hoekje in alwaar ik mijn kunstzinnige plannen zou kunnen verwezenlijken. Het enige wat tot vorige week ontbrak, was een hanglamp boven de werktafel, zodat ik ook na zonsondergang zou kunnen zien wat ik aan het uitvreten was. En zodoende was Watson, immer behulpzaam – een vriendin stelde onlangs voor om hem te klonen en samen grof geld te verdienen aan de reproducties – naar de Ikea gereden om een authentieke Zweedse taklampa te kopen.

Ik vertelde hem dat ik het ding graag zelf wou ophangen, temeer omdat ik daar technisch prima toe in staat ben én omdat ik sinds kort af en toe een energiek momentje heb (hoera!) dat mijn drang om productief te zijn behoorlijk laat pieken. En als ik me op die vieve gelegenheden niet nuttig kan vermaken, word ik een redelijk chagrijnig vrouwmens, en dus liet Watson de klus uit puur zelfbehoud aan mij over.

Hij was er aanvankelijk nochtans niet zo gerust in, omdat hij weet hoe verstrooid ik kan zijn. Niettemin was ik er in mijn vorige woning geheel zelfstandig in geslaagd om het volledige elektriciteitsnetwerk, van rooilijn tot stopcontacten en lichtpunten te vernieuwen. Met als uitkomst een positief keuringsattest. En fier dat ik was! Akkoord, ik had tijdens de afwerking met een naakte schroevendraaier zitten peuteren in mijn (zelf gekableerde!) elektriciteitskast omdat er helemaal achteraan een aardingsdraad verstopt zat die niet aangesloten bleek te zijn, en ja, er volgde toen een hevige knal vlakbij mijn aangezicht, vergezeld van een indrukwekkende lichtflits, omdat ik vergeten was om de stroom uit te zetten, en ik geef toe dat ik lichtjes in paniek raakte toen ik zag dat de kortsluiting een zwarte waas had geworpen over enkele van de zekeringen, wat niet zo’n beste indruk zou maken op de keurder, nietwaar, en ik beken dat ik daarna naar de keuken ben gelopen om een natte spons te halen, teneinde de zekeringen te ontdoen van hun kleurtje, en dat ik me pas op het laatste nippertje herinnerde dat water en elektriciteit een tamelijk fatale combinatie kunnen vormen.

Én omdat hij houdt van proper werk. Alsof ik niet proper zou kunnen werken. Poeh. Ik, die zelfs een elektriciteitskast zou afwassen. Na een kleine discussie waarin ik hem gedetailleerd informeerde over mijn plannen – er was immers geen aansluitpunt voorzien op het plafond waardoor de zaken iets moeilijker lagen – draaide hij bij. De dag erna ging ik in de lokale elektriciteitswinkel de benodigde spullen kopen.

“Wit snoer, zegt ge? We verkopen helaas alleen maar grijze en zwarte soepele kabel.”

“Grijs is ook goed”, antwoordde ik. Thuisgekomen realiseerde ik me dat soepele kabel niet hetzelfde is als snoer en dat ik me dus alleen op de kleur had gefocust. Dat verbaasde me niets. Watson indachtig – “het geld groeit niet op onze rug!” – moffelde ik de kabel weg en ik probeerde mezelf te kalmeren in de wetenschap dat mijn legendarische verstrooidheid onvermijdelijk is. Ik stapte terug in de wagen en reed naar de plaatselijke Brico, alwaar ik even overweldigd werd door een overvloed aan materiaal, dat zo netjes gesorteerd was dat het niet anders kon of de zaak moest wel autisten in dienst hebben. Aan het rek hingen rolletjes met wit snoer, rolletjes met zwart snoer, snoer met aarding, snoer zonder aarding, lengtes van vijf meter en lengtes van tien meter.  Verdorie. Ik had niet gecontroleerd of die takkelamp een aarding behoefde. Ze was van metaal, dat wel. Maar was ze nu dubbel geïsoleerd, of niet?  Wel? Of niet? Wel? Of niet?  Zoals gewoonlijk bleef mijn interne keuzemenu in een kringetje draaien waarop ik met veel moeite het verstoorde programma aborteerde en me tenslotte naar de kassa begaf met tien meter wit snoer zónder aarding en zes meter aan slanke kabelgootjes. Desnoods kon ik het rolletje nog altijd terugbrengen – het betrof ditmaal immers geen snoer dat op maat was afgesneden – hoewel dit niet echt als een geruststelling overkwam aangezien ik een kleine hekel heb aan winkelen.

Wederom thuisgekomen verzamelde ik het benodigde gereedschap om de klus te kunnen klaren: vouwmeter en potlood, beugelzaagje en verstekbak, kabelschoentjes en tang, hamer en beitel, schroevendraaiers , breekmes, accuboormachine en natuurlijk ook een ladder. De lamp – die na controle gelukkig geen aarding behoefde – diende gemonteerd te worden aan een houten balk, die de verbinding maakte met het betonnen plafond van de eetplaats en het houten dak van de erker waarin mijn knutselhoekje zich bevond.  Vandaar zou ik het snoer in de kabelgootjes naar beneden laten lopen om het ergens ter hoogte van het stopcontact te koppelen aan een schakelaar en stekker die ik nog ergens uit een plastic box in de kelder had kunnen opvissen – Watson zou vast en zeker tevreden zijn over deze zuinigheid.  Tussen de balk en het beton zat een kier van enkele millimeters en ik was verbaasd over de luchtstroom die er doorheen kwam. Ik verzaagde één van de kabelgootjes netjes in verstek en plakte het over de tochtige naad. Twee vliegen in één klap. Vervolgens werkte ik de rest verder af – waarbij ik het verstek tot mijn ergernis een keer of zes moest herzagen dankzij mijn ondermaatse driedimensionale inzicht – en plaatste het snoer zorgvuldig in de gootjes, waarna ik glunderend het resultaat uitgebreid en langdurig bewonderde.  Ah, wat kon het leven toch mooi zijn.

Die nacht weerklonk er een bijzonder fel hoongelach van de windgoden en de volgende ochtend vond ik de lamp met kabelgoot en al twee meter lager terug. Ah, wat kon de natuur toch heerlijk spotten met een mens. Ik raapte al mijn moed bijeen en gelukkig – ah, wat een geluk had ik toch – ontdekte ik nog een tube acrylaatkit in de kelder waarop ik de kier des onheils resoluut volpropte met de witte pasta.  Daarna werd de lamp, ditmaal stormbestendig want een ezel stoot zich geen tweemaal aan dezelfde steen, opnieuw aan het plafond bevestigd, alwaar zij nog steeds hangt en vanwaar zij nu elke avond als een gulhartige muze haar lichtstralen laat nederdalen.  En fier dat ik weer ben!

Als een dief in de nacht

‘n verhaaltje uit de oude doos …

‘Gij zult niet stelen’, aldus nummer zeven.  Als er één gebod is dat ik hoog in het vaandel draag, is het dat wel. Zelfs een ketter als ik bezit vrome waarden en normen: nog nooit in mijn leven heb ik iets ontvreemd dat het mijne niet was.

Ik beken: ik weet beslist niet meer tot in de diepste details wat ik als kind uitgevreten heb, maar als introverte autist die braaf op het bankje op de speelplaats zat, zal het vast geen hete soep geweest zijn. Ik durf met de hand op het hart verklaren dat ik er zeker van ben dat ik nog nooit wat gejat heb. Van andermans spullen blijf je af. En van mijn spullen blijf je trouwens ook maar beter af.

Zo gebeurde het dat ik op een goeie morgen tot de onthutsende vaststelling kwam dat mijn fiets die nacht gestolen was, in een anders zo rustige buurt. Hij stond nochtans netjes achteraan de zijoprit van de woning van mijn toenmalige partner gestald, helemaal uit het zicht. Witheet van woede was ik. Hoe durfden ze! In gedachten werd de dader alvast ondergedompeld in hete pek en vervolgens vakkundig gevierendeeld – een eerlijk proces leek me in deze volstrekt overbodig. In werkelijkheid ging ik, zoals het een fatsoenlijk mens betaamde, de ontvoering van mijn maatje melden bij de politie. Een beschrijving geven was niet moeilijk geweest aangezien we meer dan tien jaar lief en leed gedeeld hadden: “Haar naam is Oxford, ze heeft een marineblauwige huidskleur, een identificatietattoo op haar slanke taille, een strook bruine plakband rondom haar weerspannige lichtkabeltje en voorts heb ik haar altijd tiptop verzorgd.” Het huilen stond me nader dan het lachen.

Mijn autistisch koppeke – geboden zijn geboden en duidelijker kan het nu toch niet zijn – kon er simpelweg niet bij dat er lieden waren die het lef hadden om andermans spullen te roven. Enfin, zo naïef was ik nu ook weer niet. Het was vooral shockerend dat het ditmaal mijn eigen spullen betrof en de verdorvenheid dus akelig dichtbij was gekomen. Hadden de mensen dan werkelijk geen greintje eergevoel? Zolang ik me kan herinneren ben ik er als de dood voor geweest dat men mij – uiteraard onterecht – zou beschuldigen van diefstal.  Uitzonderlijk ben ik een paar keer zo roekeloos geweest om te gaan shoppen tijdens de koopjesperiode, een moment waarop die detectiepanelen zo gevoelig zijn als de pest en met een beetje tegenslag jouw netjes betaalde aankopen van ándere winkels signaleren met een beschuldigende bieptoon.  Twéémaal werd ik derwijze opgeschrikt – ziehier de schaamteloze dievegge ! – waarop de eerste maal mijn handtas werd gecontroleerd door de winkelinspecteur – “Alles is in orde, mevrouw” – en de tweede maal ik zelf terugliep naar de kassa met een kop als een kreeft om een vergeten antidiefstalpin te laten verwijderen. Trauma! Heden blijf ik dan ook op een veilige afstand van deze soldengruwel.

De angst om beticht te worden, dook nog maar eens de kop op toen mijn vroegere werkgever me kwam vertellen dat hij een koffer met ratelsleutels en toebehoren had staan in het magazijn. “Als je ze kan gebruiken, mag je ze hebben”, zei hij genereus, als teken van appreciatie voor mijn noeste werk. Inwendig maakte ik een sprongetje. Hij wist hoe dol ik was op dit soort dingen en ik kon ze goed benutten bij de verbouwing van mijn woning.  “Je moet er nu wel niet mee te koop lopen”, voegde hij er nog aan toe. “Probeer ze een beetje discreet af te halen.”  TILT!  Mijn amygdala sloeg in een dubbele knoop en mijn brein blokkeerde compleet, nadat ik mezelf in gedachten naar het magazijn zag sluipen, als een dief in de nacht. Een paar weken later kwam mijn baas, met een blik op ondankbaar nest, me attenderen op het feit dat ik de koffer nog steeds niet afgehaald had en dat hij ze niet op mijn schoot zou brengen.  Maar mijn warrige hoofd had de opdracht reeds als diefstal geklasseerd.  Het is me dan ook nooit gelukt om de koffer te gaan halen en ik heb – begrijpelijk – ook nooit meer een nieuw aanbod gekregen, dankzij een brein dat net iets te overmoedig het zevende gebod hanteerde.

Met de fiets verging het me gelukkig stukken beter.  Een tweetal maanden na haar verlies – ik rekende er niet op om haar ooit nog terug te zien – zag ik plots en tot mijn grote verbazing, die al snel gevolgd werd door uitzinnige woede, een onverzorgde, magere man met haar naar de krantenwinkel rijden, op nog geen vijfhonderd meter van mijn woonst. Als een razende furie stormde ik hem achterna en schold hem de huid vol. De bedrommelde man was zich van geen kwaad bewust. Hij had de fiets even geleend van een vriendje van zijn dochter.  “Waar maak jij je trouwens druk om?” zei hij harteloos. “Die fiets is helemaal stuk.  Zoiets wil je toch niet terug?” Jij geeft haar nú aan mij, vriend!

Mishandeld. Ook dat nog. Volledig over mijn toeren nam ik haar mee naar huis, met haar geplooide achterwiel, haar kapotte verlichting, haar doorgeknipte, nu weerloze verlichtingskabeltje, haar gebroken remmen, … Er leek geen einde aan te komen.

Met veel liefde knapte ik haar helemaal op en nog geen week later waren we beiden weer op pad, alsof er nooit iets gebeurd was. Ik zeg het je, van mijn spullen blijf je maar beter af.

Gesjareld

Een walm van sigarettenrook daalde over me neer toen de elegant geklede dame naast me kwam zitten.  Even later trok de keurig uitziende man bezijden haar zijn neusinhoud met volle kracht naar omhoog, vergezeld van een snorfgeluid om u tegen te zeggen. Ik keek geïrriteerd naar mijn smartphone. Tien uur vijfendertig.  Nog even.

Na zes maanden burn-outbegeleiding had mijn coach me laten verstaan dat mijn blijvende vermoeidheid toch wel heel atypisch is, waarop mijn huisarts me had doorverwezen naar de dienst interne geneeskunde van het universitaire ziekenhuis. “Daar zullen ze jou wel eens grondig binnenstebuiten keren!”

“Snooorrf!!”  Andermaal werd een zee van bacteriën naar hogere sferen gebracht.

“Mevrouw Peeters ?” klonk het in de lange gang, die als wachtzaal dienstdeed.  Mevrouw Peeters volgde de jongeman die haar naam zonet geroepen had naar het dokterskabinet.  Er waren heel wat assistenten aan de slag waardoor de patiënten aan een stevig tempo bediend werden.

“Snoooooorrf!!”

Nog even.

Wat verderop zat een bejaarde dame smerig te hoesten.  Laat maar komen, grietje, dat kan er nog wel bij, dacht ik gelaten.

De verpleegster van de dienst bloedafname riep de naam van de volgende patiënt.

Meneer De Wachter”, verbeterde de man haar vergissing met een grijns.

“Reuchel!!  Reuchel!!” fluimde het oudje daarop.

“Mevrouw, kunt u alstublieft uw hand voor uw mond houden!” zei iemand boos, terwijl de man met het lekkende reukorgaan ditmaal een opvallend jammerend geluid maakte bij zijn zoveelste godverdomse snorf.

Geërgerd duwde hij een zakdoek tegen zijn neus en ik bedacht me plots dat er waarschijnlijk meer aan de hand was dan een simpele verkoudheid.  Bijna dertig jaar geleden had ikzelf namelijk op exact dezelfde manier met frustratie gejammerd toen het waterig snot dag in dag uit met liters – of zo leek het toch – uit mijn geradbraakte kop droop, waarop ik ten langen leste katoenen watten in mijn neusgaten propte om toch tenminste voor even mijn beide handen vrij te hebben.  Een half jaar en circa duizend zakdoeken later had mijn toenmalige huisarts, na vele onzinnige antibioticakuren, eindelijk begrepen dat ik geen infectie had maar een hevige allergie.

Meteen voelde ik sympathie voor de onfortuinlijke man.  Een beetje inzicht kan wonderen doen.

Rond halftwaalf hoorde ik tot mijn grote opluchting mijn naam weerklinken. Ik volgde de jonge dokter naar het kabinet, helemaal klaar om mijn ingewanden protestloos op de onderzoekstafel te werpen.  Ik beantwoordde gehoorzaam de uitvoerige vragenlijst, liet mijn lichaam gewillig bepotelen en wachtte geduldig op het verdict dat dra zou vallen, na het geheimzinnige overleg tussen assistent en professor.

Uiteindelijk bleek niets te wijzen op een lichamelijke aandoening. “We vermoeden dan ook dat jouw fysieke klachten een psychische oorsprong kennen en stellen voor dat je contact opneemt met een psychiater die ook kennis heeft van autisme”.

Een watte? Ik voelde me compleet gesnorft, gereucheld en gesjareld en ik zocht, eenmaal thuisgekomen, steun bij mijn praatmadammen.  Een dag later was ik dan ook weer op en top strijdvaardig en klaar voor plan B.  Of was het nu plan C?  Of T ?  Z ?

vervolg zie Het plastische brein

Orchidee

Toen onze kennissen, een koppel met twee kinderen, vorig jaar op bezoek kwamen, hadden ze een leuk cadeautje meegebracht: een mooie, blikken doos – ik ben zot van die dingen – met chocoladen eitjes erin – ik ben zot van die dingen.

“Er zitten ook échte centjes tussen de snoep”, benadrukte de vrouw, in de hoop dat ik zou begrijpen dat dit bedoeld was ter ere van onze nieuwe stek.  Het oneetbare feit ging echter volledig aan mij voorbij aangezien mijn verslaafde zelve onmiddellijk het beeld van chocoladen munten voor ogen kreeg. De vrouw leek zich wat te verbazen over mijn magere reactie. “Het zijn échte centjes, hé, Mary, die mag je dus niet opeten”, knipoogde ze. Een welopgevoede mens bedankt zijn gasten op zo’n moment voor de gift, maar in gedachten was ik reeds kleingeld aan het verorberen en ik was ‘vreemd’ genoeg (zoals gewoonlijk dus) niet meer in staat tot het bijstellen van het foutieve beeld dat in mijn hoofd was geplant.

Toen ik na hun afscheid, gulzig naar chocolade, het presentje openmaakte,  zag ik dan ook tot mijn verwondering dat er echt geld tussen de eitjes zat. Mijn euro begon langzaam maar zeker neder te dalen tempo veertje-richting-aarde. Miljaar, waarom is mijn brein ook altijd zo traag van begrip bij sociale interacties? Het schaamrood steeg me naar de wangen en ik stuurde alsnog een mailtje om hen te bedanken.

Van het geld kocht ik onze allereerste vensterbank-orchidee, iets waar ik al lang van droomde en waar we nu eindelijk plek voor hadden, en ik was wekenlang, zoniet langer, in vervoering geweest van haar prachtige vertoning, tot ze op een dag haar elegante bloemen afwierp en me verweesd achterliet. Uiteraard zou ik haar liefdevol verzorgen in de hoop op een spoedige wederopstanding

Die bleef echter uit. Ik begreep er niets van. Tweemaal per week kreeg ze een verfrissende douche met stromend water en wekelijks mocht ze genieten van een wellnessbadje vol nutriënten.  Daarop hadden zich nieuwe, sterke bladeren ontwikkeld en begonnen de vele wortels elkaar te verdringen, waarop ze gehuisvest werd in een grotere, speciaal voor orchideeën bedoelde doorzichtige pot, gevuld met schors, geen aarde, precies zoals het hoorde.  Maar van nieuwe bloemen was er, zelfs na vele maanden, nog helemaal geen sprake.

Teleurgesteld ging ik te rade bij het wijde web, dat me vertelde dat orchideeën van nature in armzalige omstandigheden opgroeien en maar beter niet te veel voedsel toebedeeld krijgen. Met een groot schuldgevoel – moet ik haar nu echt uithongeren? – zette ik mijn kale huisgenoot op een streng dieet, maar tot mijn grote verrassing groeide er al gauw een nieuwe bloemstengel tussen de bladeren uit.

En ziedaar!  Een paar dagen geleden is de eerste bloem opengegaan, een prachtexemplaar wier geboorte met chocolade gevierd zou moeten worden, ware het niet dat ikzelf ditmaal ook op een streng dieet sta.  Ben benieuwd wat voor een schone blomme daar zal van voortkomen 😛 .

Mary

‘Belangrijk’ nieuws !

Aangezien ook een Miss Mockingbird een voornaam nodig heeft, zal ik vanaf vandaag door het blogleven gaan als Mary !

Miss Mary Mockingbird.  Klinkt niet slecht, al zeg ik het zelf 😀 .