‘t Is proper

’n verhaaltje uit de oude doos

Ik twijfelde er niet aan dat dit nieuwe project er zou ingaan als zoete koek…

Samen met Misses Proper, de verantwoordelijke van de poetsdames, had ik afgesproken om een nieuw en efficiënter poetssysteem op poten te zetten in het hele bedrijf. De eerste testresultaten waren alvast veelbelovend!

Het zou een ingrijpende aanpassing betekenen, maar ik was dolenthousiast om deze nieuwe manier van werken in voege te brengen en ik werkte een zeer gedetailleerde berekening uit met investeringskosten en terugverdientijd, aangevuld met een Powerpoint presentatie die de methode uitvoerig toelichtte. Ik genoot al van het moment dat ik dit meesterwerk zou kunnen voorstellen aan de voltallige directie en hun goedkeurende blikken in ontvangst zou kunnen nemen. Hiervoor had ik ruim vooraf een afspraak geboekt in hun agenda.

Toen het moment suprême was aangebroken, zat ik samen met Misses Proper en de vertegenwoordigers van het poetssysteem in de vergaderzaal – mét verse koffie en koekjes – glunderend te wachten op de blijde intrede.

Niemand daagde op.

Ja, ze hadden het wel in hun agenda zien staan, maar meenden dat het niet zo belangrijk zou zijn, anders zou ik toch wel nog eens gebeld hebben, zeker … HALLO ??

Na stevig aandringen kwam er slechts één directielid naar de meeting en ik wenste hartsgrondig dat de grond onder mijn voeten was opengescheurd om me voor altijd op te slokken.

Enkele dagen na deze zielige vertoning kreeg ik een telefoontje van één van de aanwezige vertegenwoordigers: of ze alstublieft die fantastische rekeningsheet mochten hebben die ik gemaakt had, want zoiets gedetailleerd hadden ze nog nooit gezien en ze wilden het graag gebruiken om andere klanten te overtuigen. Ik was dolblij dat er toch íemand was die mijn noeste arbeid kon appreciëren. En zodoende werd de rekensheet geruild voor twintig fantastische poetsdoeken.

Meer dan vijftien jaar later zijn mijn poetsdoeken nog altijd in prima staat, zelfs na vele, vele wasbeurten. Zeg nu zelf, kan het leven nog beter zijn?

Maak de draak niet wakker

’n verhaaltje uit de oude doos

Lang geleden – toen ik nog geen diagnose had – verzeilde ik moeiteloos van de ene sociale flater in de andere.

Zo kwam ik op een dag op het lumineuze idee om mezelf kandidaat te stellen voor de functie van Facilitair Manager in een groot bedrijf.  Ik werd – bij gebrek aan enige andere gegadigden – aangenomen en kreeg de leiding over een veertigtal werknemers waarvan het grootste deel poetsvrouwen betrof.   Dát, mijn beste lezertjes, was een heel slecht idee voor iemand die geen snars begreep van het menselijke denken en de bijhorende emoties.

Toch was niet alles kommer en kwel en sommige werkneemsters waren schatten van vrouwen. Niemand moest het zich dan ook in het hoofd halen om een verkeerd woord over hen uit te spreken.

Zo kwam op een goeie dag een dame zich aanbieden als poetsvrouw.  Ashanti was mooi, vriendelijk, goed verzorgd en voorkomend.  Ik nam haar in dienst.  De verantwoordelijke van de poetsdames was erg tevreden over haar inzet en ik was serieus in mijn nopjes omdat Ashanti de allereerste zwarte dame zou zijn die in het bedrijf tewerkgesteld zou worden.  In ons arbeidscontract stond namelijk expliciet vermeld dat elke werknemer – ongeacht zijn of haar religie – de christelijke waarden van het bedrijf diende uit te dragen.  En wat kon er nu christelijker zijn dan de eerste zwarte dame in dienst te nemen.

Een korte tijd na haar aanstelling werd ik dringend naar het kantoor van collega Donderwolkje geroepen, tevens de moeder van één van de poetsvrouwen.  Donderwolkje was niet bepaald een zonnetje in huis en ik voelde de bui al hangen.

Ter plaatse werd ik prompt uitgescholden: “HOE DURFT GE DIE ZWARTE BIJ MIJN DOCHTER IN OPLEIDING ZETTEN!! ZE KAN NIET KUISEN!! ZE BEGRIJPT NIKS!! ZE KENT GEEN NEDERLANDS!!” En zo ging dat maar door terwijl mijn bloed ondertussen onheilspellend begon te koken.  Ik probeerde haar veiligheidshalve nog op andere gedachten te brengen – genre, iedereen verdient een eerlijke kans – maar ze was voor geen rede vatbaar.  Integendeel, ze eindigde met de woorden: “GE ZOUDT ZE BETER ONTSLAAN EN ZEGGEN DAT ZE TERUG MOET GAAN NAAR HAAR HUTTEKE IN AFRIKA, WAAR ZE THUISHOORT!!”

Op dat moment brak de vuurspuwende draak in mij volledig los en stormde ik zwaar briesend haar kantoor uit, onderwijl enkele meubels in de fik stekend en “FUCK YOU!!!” roepend, waarna ik de deur keihard dichtsloeg.  De klanten in de tegenoverliggende wachtzaal keken me aan alsof ik gek geworden was.

Niet veel later zat ik op het kantoor van de directeur, niet uit vrije wil, voor alle duidelijkheid.  Hij was kort en bondig:

“Miss Mockingbird, ik heb gehoord dat je een meningsverschil hebt gehad met Donderwolkje.  Je moet je gaan verontschuldigen.  Ze heeft dit geëist.”

Ik antwoordde:  “Excuseer ???? Ik geloof dat ZIJ zich dient te verontschuldigen! Tegenover mij én Ashanti !”

Er volgde een hele discussie, maar de directeur hield voet bij stuk.  Uiteindelijk zei ik: “Ik geef nog liever mijn ontslag dan een goede werknemer in de steek te laten!

En de directeur wist dat ik het meende.  Hij eindigde het gesprek met de woorden: “Ge zijt een speciale, Miss Mockingbird”.

En ik mocht gaan en dat was het laatste wat er ooit over gezegd is.

Van God los

’n verhaaltje uit de oude doos

Van God los

Laat nu toch die God los
Er is niemand in de kosmos
’t Is zonde van de tijd

Monza

Er waren geen goddelozen.  Als kind wist ik niet beter dan dat God deel uitmaakte van ieders bestaan, en zo was het goed, of toch tenminste duidelijk.  God was alomtegenwoordig en ik stelde me geen vragen over Zijn Wonderlijke Whereabouts. Per slot van rekening liep Sinterklaas ook gewoon met zijn schimmel over de daken en vlogen er met Pasen klokken door het luchtruim.  Dat was allemaal heel normaal.

Toch boezemde Zijn Toorn me bovenmatige angst in.  Als een schichtig vogeltje bewoog ik me door het leven, zorgvuldig elke handeling vermijdend die als vloekwaardig bestempeld kon worden.  Door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn grote schuld.

Ik hield me strikt aan de regels en mijn rigide, autistische brein verwachtte net hetzelfde van Hem.  Logisch, het waren immers Z’n eigen geboden, daaromtrent moest Hij wat mij betrof niet schijnheilig wezen.

Op een goeie dag ontstond er een eerste barst in wat tot nog toe een onverstoorbare devotie was geweest.  Ik was op bezoek bij mijn buurjongen en samen speelden we een spelletje aan de tafel in de veranda.  Alles verliep geheel peizig, vredig en zondeloos.  “Godverdomme!!!” riep de buurjongen plots, waarop ik een acute hartverzakking kreeg.  Besefte die brutale vlerk wel wat voor een onheil hij over zich had afgeroepen?

“God zal u doodbliksemen!” riep ik verschrikt en ik schoof mijn stoel wat verder op.  Tenslotte zat ik slechts een halve meter van het kwaad vandaan.  De buurjongen lachte me uit om zoveel goedgelovigheid en begon daarop te vloeken als een ketter.  Ik keek angstig omhoog naar de glazen koepel en smeekte God om goed te richten.  Wees gegroet, Maria, vol van genade, wuzzewuzzewuz….

Ik wachtte in doodsangst het gebeuren af.  Er gebeurde helemaal niets.

“Ziet ge nu wel?” lachte de vlerk.

Ik was zwaar verontwaardigd en teleurgesteld in God’s gedrag.  Als je Hem al niet meer kon vertrouwen, wie dan wel?

Zo verloor ik langzaamaan mijn geloof in God en tegen de tijd dat ik mijn plechtige communie zou doen, was ik reeds gemuteerd in een afvallig schepsel.  Door Zijn Schuld, door Zijn Schuld, door Zijn Grote Schuld.

Heel grappig, dokter …

‘n verhaaltje uit de oude doos …

“Dokter, waarom ben ik altijd zo moe?  Ik heb geen leven op die manier.”

Er weerklinkt een diepe zucht.  Zijt ge daar weer, zaag.  “Ik weet het ook niet, maar luister, ik heb gisteren toevallig een zéér interessante lezing gevolgd over iets nieuws, coeliakie.”

Iets ‘nieuws’, denk ik geïrriteerd.  Coeliakie werd al een eeuwigheid geleden ontdekt, maar heeeeeeeey, ik ga hier toch niet de geïnformeerde patiënt uithangen, zeker? “Dokter, coeliakie werd reeds getest in mijn bloed met negatief resultaat.  En aangezien mijn stoelgang normaal is, is er verder geen reden om aan te nemen dat ik coeliakie heb.”

“Jamaar, ik heb hier nu allemaal geen tijd voor want ik moet sebiet naar een vergadering!  Ik zal u een briefke schrijven voor een coloscopie.  Dan kunnen ze een biopsie nemen van uw darmen en dan zien we nog wel.”

Enkele weken later schotelt een verpleger me vier liter laxeermiddel voor.  Gelukkig krijg ik mentale steun van een sympathieke dame die hetzelfde lot zal ondergaan.  Samen drinken en keuvelen we erop los als zaten we in een gezellig stamineetje.  Terwijl zij tussendoor vlotjes leegloopt, blijft mijn buik er echter onbewogen bij.

Twee uur later kijkt de verpleger met ongeduld naar mijn zwangere pens die nu elk moment kan gaan knappen: “Zijt ge al kunnen gaan?”

“Helaas…”

De planning is strak en voor ik ‘kak’ kan zeggen, wordt een liter lauw water in mijn achterwerk gegoten.  Twintig seconden later zit ik volop te flushen en nog eens vijf minuten later lig ik op mijn linkerzij te staren naar een groot scherm waarop ik mijn blote billen in detail kan observeren.  Terwijl de anesthesist een naald in mijn arm plant, neemt de chirurg een lange, dunne slang ter hand met aan het uiteinde een verlichte camera.

“We gaan eens kijken. Niet verschieten !”

Mijn lichaam maakt een sprong en trekt zich spontaan terug van de ongenode gast.  “Madammeke is dat precies niet gewoon?” lacht de chirurg.

“Wat wilt ge, dat is een uitgang, geen ingang”, repliceer ik.  Het stelt me gerust dat het sarcasme zelfs zonder kleren spontaan in me blijft opborrelen.

Terwijl de camera mijn ingewanden verkent, vergeet ik al het ongemak en kijk ik verbaasd en gebiologeerd naar het scherm.  Mijn darmen zien er werkelijk prachtig uit en ik ben opgelucht dat de biopsie zal kunnen doorgaan.

“Vertel eens, waarvoor zijt ge hier?”  De chirurg had de verwijsbrief van mijn huisarts duidelijk niet gelezen.  Ik beantwoord zijn vraag.

De man schatert het uit: “Hahahahaha!  Coeliakie wordt toch helemaal niet met een coloscopie getest?  Dat moet via een een gastroscopie gebeuren.  Hahahahaha!”

Een maagonderzoek? Het duurt even tot deze bizarre situatie tot me doordringt. “Euh, is dit onderzoek dan nog wel zinvol?, hoor ik mijn preutse zelve plotseling vragen, in de hoop me zo snel mogelijk onder de aangekleden te kunnen begeven.

“Bwah, ge ligt hier nu toch, we kunnen er maar evengoed aan beginnen, hé.”

Katsjing!  De zoveelste aanslag op de Belgische Sociale Zekerheid.  En nog voor ik iets kan zeggen, voel ik mezelf heel slaperig worden, net zoals mijn huisarts zich gevoeld moet hebben tijdens die zéér interessante lezing.

Citroenzuur

‘n verhaaltje uit de oude doos …

Mijn leven vóór de diagnose bestond uit een niet-aflatende zoektocht naar de ultieme oplossing voor de problemen waar ik dagelijks tegenaan liep, in het bijzonder mijn extreme vermoeidheid.

Zo kwam ik op een dag terecht bij een therapeut uit het dorpje Arenberg, van wie ik gehoord had dat hij zijn vak kende en reeds vele mensen geholpen had. ‘Vele’ is een rekbaar begrip, maar wie dagelijks rondploetert in de modder der wanhoop, snoert het kritische duiveltje al gauw de mond.  Het was prettig om iemand te ontmoeten die oprecht naar mijn verhaal luisterde en bij elke zin vol herkenning knikte.  De redding was nabij. Hallelujah!

De man bediende zich van een discutabele testmethode waarbij minuscule flesjes met allergenen één voor één tegen mijn huid werden gedrukt.  Wat mijn corpus niet bliefte, werd geacht te resulteren in een verstoorde lichaamsfrequentie.  Om deze ongeregeldheid te kunnen waarnemen, diende ik krachtig met de knieën tegen de arm mijner dienaar te duwen.  Mijn immer kritische brein protesteerde echter fors tegen deze schimmige aanpak.

“Ik wil niet moeilijk doen”, zei ik.  Uiteraard wou ik dat wel, tenslotte verlangde ik waar voor m’n geld.  “Is het voor een mens fysiek wel mogelijk om met de arm deze subtiele resonantieverschillen te kunnen waarnemen ?”

“Absoluut!”

Waar zat ik toch in godsnaam met mijn gedachten. Ik herformuleerde de vraag:  “Als ingenieur interesseert het me uitermate te weten hoe deze techniek precies werkt.”

Terwijl de flesjes migreerden van houder naar huid en terug, volgde er een ononderbroken woordenstroom die kant noch wal sloeg en ik slikte de wakke koek onwillig door.  “Citroenzuur! Had ik het niet gedacht!  riep de man plots verrukt.

“Bij de vorige therapeut was het lactose”, poneerde ik koeltjes.

“Intoleranties kunnen altijd veranderen” repliceerde hij prompt.  Touché.  Deze man was goed voorbereid op pretbedervers zoals ik.

Enkele sessies later had ik het genoegen om de wachtzaal te delen met een onzekere doch uiterst aimabele veertiger.

“Hij is steengoed in z’n vak. Hij vindt álles”, vertrouwde hij me toe.

“Wat heeft hij bij u dan gevonden?” vroeg ik op mijn gebruikelijke indiscrete manier.

“Citroenzuur!”

Had ik het niet gedacht.  Er volgde een warrig verhaal over wonderbaarlijke vondsten en ik probeerde de man met beide voetjes terug op de grond te brengen: “Hoe lang bent u al in behandeling?”

“Vier jaar”, zei hij fier en vrolijk verderzwevend.

Ik bedankte de man voor deze wonderbaarlijke onthulling en ik ben nooit meer teruggegaan.


“Citroenen! Had ik het niet gedacht!”, riep Eliott verrukt.

Poep op de stoep

‘n verhaaltje uit de oude doos …

Onlangs was het weer raak.  Voor de derde maal in één week tijd.  Poep op de stoep.  En daarna aan mijn schoenzool.

Het beloofde een mooie dag te worden.  Vrolijk stapte ik naar het werk.  Even later stapte ik in een drol.  Razend hinkstapte ik terug naar huis.  Een halfuur later kwam ik aan op het werk, met nette schoenen en een rothumeur.

Ze komen me onderhand de strot uit, die zogenaamde trotse hondenbezitters met hun schijtkeffers.  Elke dag kom je ze tegen, in grote en kleine maten, zowel baas, hond als uitwerpselen.  Is het werkelijk teveel gevraagd dan?  Raap die godverdomse drollen op!

Ik zweer het je: zou de gemeente een boete geven per werpsel, dan was het begrotingstekort in drie dagen weggewerkt.  En ik heb er genoeg van!  De eerste kakkende hond die ik tegenkom, zal ik duchtig de les spellen.  Of toch tenminste het baasje, want wat kan het die hond ook schelen.  Kwispel, kwijl. Hé, wat een leuke hond!

Een dag later is het zover: een potentieel slachtoffer!  In de verte zie ik iemand met een hondje.  Ik heb mijn lenzen niet in, maar ik denk dat het een dame is.  Ja, het is een oud dametje met een kleine hond.

Terwijl mijn wandelpassen me naderbij brengen, krijg ik een beter zicht op het tafereel.

Een héél oud dametje.

Stap, stap.

En krom.  Zo krom.  Fabiolakrom.  Ik geloof niet dat ze ooit nog overeind komt als ze een drol zou oprapen.

Stap, stap.

Het hondje doet enkel een plas.  Het arme beest ziet er oud uit en is slecht ter been, net zoals het dametje.  Of moet ik zeggen: slecht ter poot.

Stap, stap.

De onvoorwaardelijke liefde van dat werkelijk schattige hondje is waarschijnlijk het enige dat het dametje nog rest in dat eenzame, troosteloze leventje van haar.

Stap, stap.

We passeren elkaar.

“’Oeiendááááág”, zegt het broze dametje met de liefste glimlach ter wereld.

“Ndaaaag”, zeg ik vriendelijk terug, en ik pink een traan weg.

Het zal voor een andere keer zijn.

Brievenbakskes

‘n verhaaltje uit de oude doos …

“Miss Mockingbird, waarom hebde gij brievenbakskes besteld!!?”

De directeur was kordaat mijn kantoor binnengestapt.  Pas aangeworven, verkeerde ik in de naïeve veronderstelling dat het mij als hoger kaderlid toegestaan was om geheel zelfstandig vijf brievenbakjes te bestellen teneinde mijn bureau te fatsoeneren.

Nu ja, geheel zelfstandig was mijn aankoop niet geweest, aangezien alle bestellingen finaal dienden goedgekeurd te worden door de directeur.  Ik maakte me geen zorgen.  Het ging tenslotte om een armzalig bedrag.

“Euh, om de papieren op mijn bureau wat te fatsoeneren?”, antwoordde ik.

“Zijt ge gaan kijken of er nog bakskes zijn?”

Ik wist dat de directeur gesteld was op zuinigheid: “Jaja!  Ik ben naar het magazijn geweest en ze hebben me daar verzekerd dat er geen brievenbakskes in voorraad zijn.”

“Ik bedoel of ge in het bedrijf zijt gaan rondkijken of er nog lege bakskes zijn …”, klonk het lichtjes geïrriteerd.

“Euh?  Rondkijken in het bedrijf?”, reageerde ik verbaasd.

“Awel ja, ik heb al eens een leeg brievenbakske gezien in een kantoor.  Ge moet uwen toer doen om te kijken of er nog ergens lege bakskes zijn”, zei de directeur ferm.

“Maar misschien was dat bakske toevallig leeggemaakt en heeft die persoon dat nog nodig?  Ik kan dat toch niet zomaar meenemen?”

“Miss Mockingbird, nu niet moeilijk doen!  Ge weet zeker niet wat dat allemaal kost?”

“Twee euro per bakske”, briefte ik prompt.  “En vindt ge dat nu niet wat duur om iemand te laten rondwandelen op zoek naar een bakske van twee euro?”, antwoordde ik geheel pragmatisch en zonder enig spoor van sarcasme (dat is een leugen).  Het was tenslotte een groot bedrijf.

“Luister, het is nu goed voor één keer omdat ge nog maar pas in dienst zijt, maar in het vervolg wil ik dat ge eerst toestemming komt vragen voor ge nog iets bestelt.”

“Ja, meneer de directeur.”

“Nog een prettige dag, Miss Mockingbird.”

Enkele dagen later ontving ik de kostbare kleinoden.  Ik stalde ze netjes uit op mijn bureau en propte ze meteen vol met papieren.  In het leven kan je niet voorzichtig genoeg zijn.


De aanblik van wederom een gevuld bakje werd Eliott te veel …