Freud overtroffen

vervolg van Flabbergasted

opgelet: dit verhaal is niet geschikt voor gevoelige zielen

“Je zal waarschijnlijk nare dromen hebben na de neurofeedbacksessies”, had de psychologe me tijdens het intakegesprek gezegd.

Ik antwoordde haar dat ik al van kindsbeen af heel vaak nachtmerries had en dat ik dus wel al het een en het ander gewoon was. Niet alleen waren mijn dromen vaak akelig, ze waren bovendien ook nog eens knotsgek. Zo droomde ik enkele jaren geleden het volgende:

Ik ben aan het rondkuieren in een mij onbekende stad, genietend van het zonnetje, tot plots de mensen in grote paniek en onder luid gegil langs alle kanten wegstuiven om zich te verstoppen. Als aan de grond genageld, hoor ik de zware stappen van iets wat een reusachtig wezen moet zijn krachtig bonzen op de betonnen straten en langzaam maar zeker dichterbij komen. Wanneer ik het monster, een groot uitgevallen Tyrannosaurus Rex, in het vizier krijg (en hij mij) spurt ik als een gek weg naar een nabijgelegen bos, achtervolgd door het briesende beest. Er hangt veel mist tussen de bomen, wat me enige voorsprong geeft. Lenig als een aap (wat bewijst dat dromen echt wel bedrog zijn aangezien ik in het echte leven de soeplesse van een hardhouten plank heb) klim ik in de eerste de beste boom en klauter en spring van tak naar tak totdat ik in de top van de hoogste boom geraak. Helaas blijkt ook dat niet hoog genoeg te zijn en doorheen de dikke mist kan ik de warmte van de vleeseter voelen waardoor ik weet dat hij niet ver weg kan zijn. Hij houdt zich nu erg stil in de hoop me uit mijn schuilplaats te lokken. Plots komen doorheen de nevel twee voorpoten mijn richting uit met tussen beide ‘handen’ een grote meetlat. De meetlat wordt naast mijn lichaam gehouden. Ik ben stomverbaasd. Ik word dus eerst opgemeten om te kijken of ik wel de moeite ben om op te vreten. Dan word ik wakker.

In de week van de eerste en tweede neurofeedbacksessie had ik maar liefst vier volslagen absurde dromen.

Ik ben in een ziekenhuis aan het babbelen met enkele van mijn praatgroepmadammen, tot plots één van hen me zegt dat ze met mijn moeder gesproken heeft, wat bizar is aangezien ik met haar geen contact meer heb. De dame beseft echter niet dat mijn moeder haar om de tuin geleid heeft en dat zij haar gebruikt heeft om mijn locatie te vinden en me te vermoorden.  In paniek open ik de deur van het lokaal waarin we onze babbel hebben, en daar staat mijn moeder, klaar om me te steken met een of ander vlijmscherp chirurgisch ding dat ze bemachtigd heeft. Als een gek spurt ik weg en ren heel het ziekenhuis door. Ik probeer mezelf te verschansen maar alle lokalen blijken meerdere deuren te hebben en mijn moeder lijkt de weg veel beter te kennen dan ik. Hoe meer ik ren, hoe meer deuren er lijken te zijn, tot wanneer ik mezelf volledig uitgeput kan verschansen in een toilet. Ik sla in paniek wanneer blijkt dat er geen slot op de deur zit en er ontstaat een krachtmeting tussen ons: ik die de deur probeer dicht te trekken, zij die de deur probeert open te trekken. In de gang passeert een verpleegster die eveneens om de tuin wordt geleid en met haar hulp kan mijn moeder de deur opentrekken waarop ze me als een bezetene meermaals in het lichaam steekt. Ik slaag erin om het voorwerp uit haar handen te trekken. Ze begrijpt dat dit het einde is en aanvaardt haar lot gelaten. Alles wordt plots heel sereen en wanneer ik het voorwerp gedecideerd en kalm in haar hart steek, biedt ze volstrekt geen weerstand. Alsof dit de normaalste zaak van de wereld is.

In de tweede droom ben ik aan het werken in de tuin. Achteraan in het stukje bos is Watson ook volop bezig met opkuiswerk, samen met een jongeman die onze zoon moet voorstellen (wij hebben in het echt evenwel geen kinderen). Ikzelf ben bezig met het uitspitten van ongewenste scheuten van bomen en struiken waarbij ik enkele oppervlakkige boomwortels vanonder het gras probeer te trekken. De wortels blijken hardnekkig te zijn en er komt maar geen einde aan. Ik leg de reeds losgetrokken wortels, die erg soepel zijn, samen in een bundel op het gras en besluit om de klus achteraf aan Watson over te laten, aangezien hij meer spierkracht heeft dan ik. Ik vervolg het spitwerk en voel me plotseling ongerust worden omwille van een onheilspellende sfeer die in de tuin geslopen is. Bezorgd kijk ik naar de wortels en tot mijn ontzetting zie ik de bundel tot leven komen en zich ophijsen tot een reusachtige, moordlustige boommens, die als een wildeman naar een nietsvermoedende Watson en zoon snelt. Ik gil de longen uit mijn lijf om hen te waarschuwen, waarop de boommens zich naar mij keert. Daarop vlucht ik weg naar een betonnen, balkvormige, holle constructie in de tuin die bestaat uit een (grotendeels) ondergronds gedeelte en een bovengronds gedeelte. Watson weet dat het ondergrondse deel veilig is voor de kracht van de boommens en roept dat ik me door de zijopening naar binnen moet wurmen. Hoewel de opening amper vijf op tien centimeter groot is, lukt het me toch om deels in de betonnen balk te kruipen, maar halverwege blijf ik steken. Op het moment dat de boommens m’n benen wil grijpen, schiet ik wakker.

In de derde droom bevind ik me in het vroege ouderlijke huis op de bovenverdieping en op een gegeven moment hoor ik beneden enkele mannen de woning binnendringen. Het is duidelijk dat ze het op mij gemunt hebben. Behoorlijk overstuur klim ik door het slaapkamerraam en spring op het lager gelegen dak van de garage. Al springend van dak naar dak probeer ik te ontsnappen aan mijn achtervolgers. Op mijn vluchtweg ontmoet ik echter meer en meer laaghangende en levensgevaarlijke hoogspanningskabels en het wordt almaar moeilijker om ze te ontwijken. Uiteindelijk word ik gevangengenomen door mijn achtervolgers. Ze brengen me naar een omheinde zone en van daaruit naar een gebouw, waar ik bij de andere onfortuinlijke vrouwen gevoegd zal worden. Plots maakt de droom een wel heel bizarre wending en zie ik MacGyver (The Original) lopen, die er geweldig aantrekkelijk uitziet en die geïnfiltreerd blijkt te zijn in de bende. Ik loop naar hem toe en smeek hem om me te redden.  Tijdens de reddingspoging wordt het – net als in een film – allemaal nogal heel romantisch (neen, ik vertel u geen details) en helaas word ik veel te vroeg wakker uit mijn droom.

Dammit, dat was een tegenvaller. Ik probeerde nog een poging te doen om opnieuw in slaap te vallen in de hoop mijn droom netjes te kunnen ‘afwerken’ maar dat bleek tevergeefs te zijn. Later op de dag realiseerde ik me dat de betrokken serie dateert van uit mijn jeugd en dat de man in kwestie er hoogstwaarschijnlijk niet meer zo smakelijk uitziet als in mijn droom. Ik googlede even en in plaats van een slanke, knappe veertiger, ontdekte ik een dikke, grijze opa van zevenenzestig. Een man met een hele vriendelijke blik, dat wel, maar geen type met wie ik zou willen <censuur>. Afin, Watson kon op zijn beide oren slapen.

In de vierde en laatste droom ben ik samen met enkele bekenden op busreis naar Godweetwaar. Onderweg krijgen de passagiers een hongertje en we besluiten om een tussenstop te maken. De bus wordt geparkeerd aan een soort van picknickparking langs de autosnelweg en van daaruit wandelen we te voet naar het dichtstbijzijnde stadje dat nog heel authentiek blijkt te zijn (een beetje zoals het London van Oliver Twist).  De zon schijnt en er is veel volk op straat. Er mogen geen auto’s in het stadje rijden wat het bezoek extra prettig maakt. We gaan met het groepje een groot gebouw met houten vakwerk binnen, dat dienstdoet als restaurant en hotel. Er hangt een vreemde sfeer. We schuiven aan aan een zelfbedieningstoog. Iemand van onze groep staat reeds aan de kassa en roept dat bepaalde desserts blijkbaar enkel met een volledige menu genomen mogen worden. Lichtjes in paniek merk ik dat ik mijn handtas vergeten ben op de bus en geen geld bij heb. Ik laat het voor wat het is en voeg me bij de rest van het gezelschap aan een van de vele houten groepstafels in het ruime restaurant. Mijn oog valt op het gedrag van de eigenaar, een ietwat vreemde man, die iedereen lijkt te observeren als een roofdier op zoek naar een prooi. Op een of andere manier komen we te weten dat er reeds vele toeristen op geheimzinnige wijze verdwenen zijn in dit stadje. Al gauw leg ik het verband met de creepy eigenaar en ik besluit een oogje in het zeil te houden. Na de maaltijd wandelen we terug naar de bus en ik merk op dat twee personen van ons groepje in de drukte achtervolgd worden door twee ongure individuen die blijken te werken voor de verdachte hoteleigenaar. Ik kan nog net verijdelen dat één persoon in de nek gestoken wordt met een lange, giftige pin en ik slaag erin om de aanvaller uit te schakelen met diezelfde pin. De andere achtervolger, een dame, komt daarop met snelle pas en een zelfzekere grijns naar me toegestapt. Ik kan een pistool bemachtigen en vuur  enkele kogels op haar af, maar ze blijft lachen. Ze is een levende dode die enkel met het gif uitgeschakeld kan worden. Op het moment dat ze me aanvalt, schiet ik wakker.

Jammer dat Freud niet meer leeft. We hadden samen geweldige droomboeken kunnen schrijven en stinkend rijk worden. Echt. Stinkend. Rijk.

Geef me een like en ik blijf schrijven, geef me geen like en ik blijf ook schrijven ;-).  Likes zijn volledig anoniem :-).

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *